Wees dan barmhartig, zoals jullie Vader barmhartig is (Lucas 6:36).

De trouwe kijker en luisteraar naar de kerkdiensten zal het hebben opgemerkt. De veertigdagentijd stond in het teken van een spoor van (Gods) liefde. En dat spoor volgden we naar aanleiding van de zeven werken van barmhartigheid. Jezus noemt er zes in Mattheus 25: 35 en 36: de hongerigen te eten geven, de dorstigen te drinken, de vreemdeling onderdak verlenen, de naakten kleden, de zieken bezoeken en omzien naar de gevangenen. Een zevende werk van barmhartigheid is pas in de middeleeuwen door Paus Innocentius III toegevoegd, in het jaar 1207. Het gaat om het begraven van de doden als daad van barmhartigheid. Het laat misschien wel zien dat daden van barmhartigheid zich niet door een vast aantal wil laten vastleggen. En ik vond het zelf wel interessant om te ontdekken, dat Jezus eigenlijk ook afwijkt van zijn eigen joodse traditie. Want in het jodendom worden de volgende zeven liefdeswerken onderscheiden: Gastvrijheid aan vreemden verlenen, het opvoeden van weeskinderen, het loskopen van gevangenen, het helpen van arme bruidsparen bij de bruiloft (zowel de voorbereiding als de uitzet), het bezoek aan de zieken, het begraven van de doden en het troosten van wie in rouw zijn. Opvallend dus dat de Paus in zijn aanvulling op Jezus terug lijkt te gaan naar de joodse traditie: Het begraven van de doden als zevende werk van barmhartigheid.
Ik werd gefascineerd door de joodse liefdeswerken en hoe daarover werd geschreven. Zelf moest ik denken aan woorden van Paulus uit Romeinen 12:15. Wees blij met wie blij zijn en heb verdriet met wie verdriet hebben. Vandaaruit vloeien de werken van barmhartigheid voort. In dat verband noemt Paulus ook werken van barmhartigheid als werken van de Geest: bekommer je om de noden van de heiligen, wees gastvrij en zegen je vervolgers. Want werken van barmhartigheid worden gedaan zonder aanziens des persoons. Ze zijn, zoals iemand het omschreef: nutteloos (zonder winstoogmerk of geheime agenda).
Wat mij nu opvalt is dat het geven van aalmoezen of giften aan een goed doel helemaal niet genoemd worden. Het geven van een aalmoes is in de basis wel een liefdeswerk binnen het jodendom, maar het wordt er toch niet met zoveel woorden toe gerekend. Misschien ook wel omdat het geven van aalmoezen eigenlijk gewoon in de wet is voorgeschreven. Ze is eerder een plicht dan een liefdeswerk. Met andere woorden: wij mogen ons er niet alleen maar met een schijntje van afmaken. Een aalmoes kan nooit het doen van een liefdeswerk, of een daad van barmhartigheid vervangen. Behalve dat een aalmoes eerder een plicht is, is een ander verschil ook dat een liefdeswerk te maken heeft met onze persoonlijke inzet. Dat heeft extra waarde zou ik bijna willen zeggen. En daarbij komt ook nog dat een aalmoes slechts gericht is op een beperkte groep mensen: de armen. Maar een liefdeswerk heeft een veel breder bereik. Een liefdeswerk geldt alle mensen. Ze geldt voor arm en rijk. Want vreugde en verdriet en het meeleven in barmhartigheid is gericht op ieder mens.
Wat ik ook leerzaam vond is dat, hoewel niet genoemd, ook het bestuderen van de Bijbel, de Torah (wet) een joods liefdeswerk is. Want zo wordt gezegd: de studie komt de ander ook ten goede. Tegelijkertijd is zowel het lezen van de Bijbel en ook het gebed van ondergeschikt belang als een medemens in nood een beroep op ons doet. Ook het lezen uit de Bijbel of het bidden mag dan nooit een excuus zijn om de ander in de kou te laten staan.
En tenslotte wordt van de liefdeswerken gezegd: wie ze niet kent, die is zonder God. En daarbij speelt de gedachte mee dat de liefdeswerken het geweld van de mens in toom houdt. Want het doen van werken van barmhartigheid houdt onze aandacht bij de liefde en wat goed is om te doen. Ze zijn een voorspraak bij God, ze stichten vrede tussen God en mens; ze redden van de dood, ze behoeden de Messias voor pijn; Ze maken van degene die het doet een verlosser van Israel in Gods ogen, zo wordt gezegd. Uit dat joodse geloof spreken dus grote verwachtingen. Maar voor ons geldt die verwachting eigenlijk ook. Want niet voor niets verwijst Jezus naar God als de Barmhartige. Wees barmhartig, zoals de Vader barmhartig is.
In elk geval zou ik willen concluderen: er staat geen maat en geen limiet op de werken van barmhartigheid. En de belangrijkste les die Jezus ons daarbij wil leren vanuit Mattheus 25, dat is naar mijn mening: ze worden gedaan zonder dat je er erg in hebt. Nou laten we het maar proberen: in alle onschuld barmhartig te zijn voor elkaar en voor wie maar op ons pad komt.
Dat wij ons door de liefde van Jezus mogen laten leiden en zo een spoor van Gods liefde achter ons laten, uit dank voor Zijn liefde voor ons.