Wat de toekomst brengen moge,
mij geleidt des Heren hand…
Als kind vond ik dit al een mooi lied. Het vertrouwen op God sprak mij altijd al aan. Ik begreep niet alle beelden die werden gebruikt. Maar het beeld van God die je hand vasthoudt en altijd bij je is zodat je niet bang hoeft te zijn voor wat er komt, loopt al mijn hele leven met mij mee. Tijdens mijn studie theologie hoorde ik, dat Jacqueline van der Waals dit lied schreef op haar sterfbed dus we moesten opletten dat we het lied niet te pas en te onpas zouden laten zingen tijdens een kerkdienst. Hierdoor heb ik het lied weinig laten zingen.
Jacqueline Elisabeth van der Waals werd geboren op 26 juni 1868 in Den Haag. Zij was een dochter van Johannes Diderik van der Waals en Anne Madeleine Smit. Haar vader was een bekende natuurkundige die in 1910 de Nobelprijs voor natuurkunde ontving. Jacqueline had twee zussen en een broer. Helaas overleed haar moeder op 34-jarige leeftijd aan tuberculose. Jacqueline was toen ongeveer 13 jaar oud. Het was een moeilijke tijd.
Na de HBS studeerde Jacqueline via thuisstudie voor de hulpacte voor het onderwijs en de middelbare schoolacte voor geschiedenis. Ze werkte als lerares. Jacqueline speelde piano en was sportief (tennis, schaatsen en bergbeklimmen). Daarnaast leerde ze verschillende talen zoals Zweeds, Noors, Deens en Italiaans. Jacqueline vertaalde boeken en artikelen vanuit die talen en scheef essays over onder andere Selma Lagerlöf en Søren Kierkegaard. Vanaf 1911 vertaalde ze kerkliederen zoals De dag, door uwe gunst ontvangen (Liedboek 248) en Zegen ons, Algoede (Liedboek 415), Vaste rots van mijn behoud en Noem de overtreding mij, die Gij begaan hebt. Van haar eigen hand zijn de liederen Die mijns harten vrede zijt en bovenstaand lied Wat de toekomst brengen moge (Liedboek 913). Toen het lied voor het eerst verscheen in een bundel van de Nederlandse Protestantenbond in 1920 was de titel Volg en vraag niet. Het is niet bekend of zijzelf het lied deze titel gegeven had. In 1921 wordt bij Jacqueline maagkanker vastgesteld, waaraan ze een jaar later, op 53-jarige leeftijd, overlijdt.
Als we kijken naar het lied, opent het met het thema van het lied: wat de toekomst ook brengt, de ik-figuur weet zich geleid door God. Daarom kan de ik-figuur moedig de ogen opslaan naar het onbekende land. Dit onbekende land wordt niet verder ingevuld. Het wordt gevolgd door een bede van overgave: vanuit de gedachte dat de wil van de Vader goed is voor de toekomst, is het voldoende als Hij het heden moedig leert dragen. Het tweede couplet sluit aan bij het eerste. Beelden en woorden die te maken hebben met zien spelen de hoofdrol. In het derde couplet wordt volgens het compendium aan de vorige beelden toegevoegd dat de ik-figuur zelf ook niet in staat is de weg te vinden. De ik-persoon is als een kind dat zelf geen goede keuzen kan maken en aan de hand van vader de weg moet vinden. Met dit vader-kindbeeld is tevens een innig, kinderlijk (in de positieve zin van het woord) vertrouwen op Gods gidsfunctie verwoord. Dit leidt in het laatste couplet tot een blindelings vertrouwen. De ik-persoon loopt aan Gods hand met gesloten ogen naar het onbekende land. Het doet denken aan het eerste couplet, met dat verschil dat de toekomst wordt vervangen door de weg, des Heren hand door Gods trouwe hand en de ogen worden gesloten. Ik las ergens: Het lied eindigt met een halve strofe. Wordt daarmee wellicht de onvoltooidheid van de reis naar het onbekende land gesymboliseerd?
Waarom zo uitgebreid stilstaan bij dit lied? Aan het eind van de maand zullen we tijdens de dienst stilstaan bij hen van wie wij afgelopen jaar afscheid moesten nemen. Ook zullen wellicht in gedachten al die anderen in ons hoofd opkomen van wie we al langer geleden afscheid moesten nemen maar in onze gedachten zijn. Mogelijk helpt dit lied (en de achtergrond) ons hierbij.
Ds. Bernadette de Groot
