Zien en gezien zijn…                                                (Psalm 139)

Misschien kent u ze nog wel: tegeltjes met een tekst erop. Elke keer als je naar het kleinste kamertje van het huis moest zag je ze weer. Tegeltjes met een tekst erop. Er zijn van die teksten die je niet meer loslaten als je ze hebt gezien of gehoord, bijvoorbeeld ‘Van het concert des levens krijgt niemand een program’. Een andere tekst vond ik in het boekje Tegels en screensavers van Peter Hendriks: ‘God kijkt ons aan in de ogen van de ander’.

In de Bijbel gaat het vaak over zien. Zien wij wel? Zien we elkaar wel? Zien we God in de ogen van de ander? Dat is niet zo eenvoudig. Hoe kijken wij naar anderen? Hoe zien wij elkaar? Waardoor wordt ons zien bepaald? Zien we elkaar eigenlijk wel? Zien we elkaar echt, of kijken we vaak vooral naar de buitenkant, naar status, naar eer, naar geld, naar rijkdom, opleiding, of waar iemand vandaan komt. ‘God kijkt ons aan in de ogen van de ander’.

Bij sommige mensen kun je je daar wel iets bij voorstellen, bijvoorbeeld majoor Bosshardt van het leger des Heils, of moeder Theresa. Velen zagen in hun niet aflatende zorg voor de armsten iets van God. Zoveel goedheid, zoveel warmhartigheid! Maar moeder Theresa zag dat zelf omgekeerd: zij herkende juist in de straatkinderen iets van God. Zoals Mahatma Gandhi juist in de ‘onaanraakbaren’, de kastelozen, de minsten van de minsten in zijn land, kinderen van God herkende. Juist in de ogen van al die mensen, die door anderen met de nek werden aangekeken, zagen zij de ogen van de eeuwige.

Wie in de ander iets van God herkent, ziet niet allereerst de regels waaraan voldaan moet worden, of een vluchteling die een ‘probleem’ is, maar een mens als u en ik.

God kijkt ons aan in de ogen van de ander! Tegen de achtergrond van het leven van Jezus krijgt dit gezegde een andere dimensie. Het is met de ogen van deze mens in wie God ons aankijkt. Wie met God wil rekenen, kan niet om Jezus heen. In de gemeenschap van de kerk zeggen en belijden we: God kijkt ons aan in de ogen van deze ander. Hij laat me niet los en vraagt me steeds weer: wie ben je? Wat doe je? Waar is je naaste? Waardoor laat je je leiden? (En, met de woorden van het lied uit Iona hieronder:) Wil je opstaan en mij volgen…? Dat is toch wat we willen doen, met vallen en opstaan?

 

André Vlieger

 

Wil je opstaan en Mij volgen

als ik noem je naam?

Wil je dienen in ’t verborgen,

zonder roem of faam?

Wil je leven op de wind,

broos en kwetsbaar als een kind

Zul je geven wat ik vind

in jou en jij in Mij?

(uit: Liederen & gebeden uit Iona & Glasgow)